Grando :Busje – vw – garage – sleutel – brug

•januari 1, 2010 • Geef een reactie

De rekening van een mobiel restaurant

 Ik heb een droom. Een jongensdroom. Nog geen tien was ik toen ik al perfect wist wat ik ooit zou waarmaken. En ze lachten en keken me meewarig aan, maar ik wist dat het dat was en niets anders. En toen ik zestien werd, zocht ik me een weekendjob en spaarde en spaarde en spaarde en spaarde. Het duurde eindeloos dat sparen, maar nu schrijf ik al een drie vooraan het getal van mijn leeftijd en kijk…ze staat er….

Ze is rood, met witte lijnen en het dak heeft een brug en kan omhoog: mijn vw surfbusje. Ik zit er verliefd  naar te kijken en te dromen, want het grote werk komt nog. Maanden zal ik moeten sleutelen om het interieur naar mijn hand te zetten, maar ik weet precies hoe het wordt.

Naast surfen en vw busjes heb ik immers nog een derde passie: koken. Deze zomer vertrek ik. Dan rij ik met ‘ronde rode’ naar een strand, open het dak, schuif de deur open en haak mijn surfplank aan de boardhaak, die ik zelf zal installeren, op een weekend, samen met Walter, de garagist.

Ik zal iedereen lekker maken met de geur van mijn eigen bereidde vissoep die ik zal koken op mijn zelf geïnstalleerde keuken, in mijn rode vw busje. Dromen, dromen, dromen….

Ik heb mijn rekening gemaakt. Ik weet wat het me gaat kosten, zo’n droomkeuken in een droom vwtje. Ik weet hoe ik ze zal installeren en ik berekende precies waar de steamer kan, waar de heteluchtoven komt en waar er nog ruimte is om dan – eens alles weer aan de kant is – mijn matrasje uit te rollen.

Ik schrijf het menu op een krijtbord en zoek er een goed plaatsje voor zo’n meter of twee van het busje af. Met vier tafeltjes kom ik rond. Meer dan 20 gasten per middag wil ik niet. En ik zal ze verwennen en doen smikkelen en smakkelen. De mannen zullen me vriendschappelijk op de schouder kloppen en ’s avonds in de plaatselijke bar op een biertje trakteren en de vrouwen zullen smachtend zitten kijken en zichzelf een man wensen zoals ik er eentje ben, een surfgod met een übertalent voor koken… Ik zie het al helemaal voor me. Ik zal mijn vrije uurtjes zweven op de golven, ’s nachts slapen als een koning en geld verdienen als slijk.

Deze zomer, zeker weten… alleen, hoe krijg ik dat hele verhaal verkocht aan mijn vrouw en vier kinderen…

Grando: Lustobject – Balustrade – Haring – Etalagepop – Fietspomp

•januari 1, 2010 • Geef een reactie

 No place like home

Ik ga  nooit meer op vakantie tijdens de kerstperiode! Nooit meer, echt niet. Het begon met de treinreis. Ik boekte mijn ticket maanden op voorhand. Een mens beeld zich dan een rustig plekje in een half bevolkte wagon in. Blauwe velours zetels, een tafeltje, de krant, een lieve stewardess. Ze hoeft niet eens mooi te zijn, zolang ze maar vriendelijk is.

Het was echt te lang geleden dat ik met de trein reisde. Mijn romantische beeld werd aan diggelen geslagen als ik nog geen half uur op de trein zat. Nu ja, zitten… Als haringen werden we op elkaar gepakt. Twee huilende kinderen met snottebellen helemaal tot over de kin, de wangen knalrond en rond als waren ze opgeblazen met de supersonische fietspomp die aan de mountain bike van hun vader hing. Meneer wilde zijn fiets geen seconde uit het oog verliezen en had er een affectueuzere band mee dan met zijn rotsnotters. Hij duwde het ijzeren ding tegen zijn stoel aan en belemmerde mij – ik zat aan de overkant van het gangpad – in elke beweging die ik maakte.

Voor me zat zijn vrouw, of beter gezegd zijn etalagepop, die me geen blik waardig gunde en tijdens de reis minstens twintig keer in haar spiegel keek om te zien of het pak smeersel op haar gezicht nog bleef plakken. Haar gsm voortdurend consulteerde als was ze miss mobistar van het jaar en in een damesblad bladerde met als covertitel: ‘nee, ik ben geen lustopbject.’ Dat deze vrouw ooit in barensnood was geweest om die twee ettertjes op de wereld te zetten, kon ik me niet voorstellen. Alles was fake aan haar: geverfd haar, gelnagels, siliconenborsten… Ik vroeg me af of haar knieschijven echt waren. Heel even maar. Meer dan 3 seconden aandacht kan ik niet aan haar soort besteden.

Ben ik onverdraagzaam? Ben ik een mensenhater? Nee toch. Ik had graag een praatje gemaakt met een of andere interessante mens, een boer uit de Ardennen of zo die me zou vertellen hoe hij in zijn bijkeuken van de geitenmelk eersteklas kaas maakt, of een kloosterzuster die maar eens om de honderd jaar mag praten en die dag precies vandaag vierde, of een masochist die op bedevaart ging en van zijn zonden wilde ontdaan worden. Alle soorten mensen had ik me in mijn wagon gewenst, maar geen barbie met een fietsfreak en twee snotgurchen en een verliefde blik richting Burberry koffers.

Het vakantiehuis was een ramp. De bedden waren hangmatten, de tv deed het niet, de achterdeur sloot niet en het water dat uit de roestige doucheknop sijpelde kleurde bruin. De bakker in het dorp was voor de hele periode gesloten, de supermarkt had een probleem met aanlevering en de plaatselijke herberg serveerde alleen Duitse pils.

Vakantie is zinloos als je je blauw ergert. Zo zinloos als mountainbiken, burberry koffer en Duitse pils

… Maar vandaag zit ik weer lekker thuis in mijn eigen huis. Vandaag hang ik maar wat rond te hangen in mijn eigen keuken, waar het gefilterde zonlicht door de ramen valt en cirkeltjes trekt in het aanrecht, waar aan de rand van de balustrade van het kleine terrasje een verdorde klimplant haakt en waar een zielig mandarijntje ligt te rotten naast een gerimpelde kiwi in de fruitschaal. No place like home, …vooral met kerst.

Grando : Alzheimer – Lellebel – constipatie – regeringsvorming – lekker

•december 26, 2009 • Geef een reactie

In het geborchte van de villa, achter de zomerkeuken en achter het bezemhok, leidde een smalle ijzeren trap naar een dieper gelegen etage. Sinds hij in het huis was aangekomen had Adrianus zich al verschillende keren afgevraagd waarnaar die ijzeren tredes leidden. Mevrouw Verfaillie had hem zijn kamer op de bovenste verdieping getoond, de keuken en de houtschuur.

De kamer waarin Adrianus zijn kartonnen koffer had neergezet, was tochtig en kil. De donkere planken tegen het plafond vertoonden vochtvlekken en het geblaasde behang was op sommige plaatsen gescheurd. Naast het bed en de kast stond er alleen nog een stoel. De springbak had geen matras en alleen een deken. Boven de deur hing een kruisbeeld waarvan de Christus een arm mistte.

Adrianus stelde geen vragen. Hij knikte. Luisterde intens naar de uitleg van de kriepende stem van mevrouw Verfaillie om geen enkele opdracht of commando te missen en hield zich verder gedeisd. Hij wist dat hij niet op sympathie, vriendelijkheid of zelfs nog maar interesse moest rekenen. Hij was hier om te werken. Hij zou de vaat doen, de kommen schrobben en de glazen boenen en na afloop zou hij hout hakken. Wie of wat hij verder was, deed absoluut niet ter zake voor mevrouw Verfaillie en haar aanverwanten.

Het kind met het witte gesteven jurkje had hem met opgetrokken neus aangekeken alsof ze last had van constipatie. Ze walgde vast van zijn verschijning en van de geur die rond hem hing. Wie elke dag etensresten van borden moest schrapen en geen mogelijkheid had om zich te wassen, ruikt niet lekker. Kan dat anders?

Drie dagen na zijn aankomst had de dikke kokkin hem verboden de trappen af te dalen. Niks om jouw neus tussen te steken had ze hem afgeblaft toen hij om uitleg vroeg en Adrianus had gezwegen. De kokkin had haar dikke lijf op een stoel laten zakken, de handen in de schoot gevouwen en ze had meegeluisterd naar het gesprek over de nieuwe regeringsvorming tussen de champetter die elke dag zijn glaasje kwam drinken en de meesterknecht. Uiteraard hield ze zich afzijdig  maar ze luisterde wel ademloos en met rode wangen naar het verhitte gesprek tussen de twee mannen.

Nu het huis stil was, de lichten en de kaarsen gedoofd waren en de ketting op het slot geschoven was aan het tuinhek, opende Adrianus de deur van zijn zolderkamer. Hij sloop de krakende trap af en liep de keuken door. Hij opende het luik achter het bezemhok en zette zijn blote, geschaafde voet op de eerste ijzeren trede. ‘he!’ brulde eens stem uit het donkere gat. ‘Wat moet dat?’

Adrianus haastte zich door het bezemhok, door de keuken, de trap voor het huispersoneel op en dook onder het deken op de steenharde matras. Hij rilde. De stem had koud en hard geklonken. Die ijzeren trap leidde dus naar een kamer, en in die kamer woonde nog iemand.

Pas veel later had Adrianus nog eens de moed om de trap af te dalen, of beter, het was de kokkin die hem gebood de bak met restjes naar beneden te dragen. ‘Geen woord over wat je daar ziet’ had ze gebromd. ‘Ik ben te moe om zelf nog maar eens naar beneden te klimmen’. Adrianus had de bak bijna fijngeknepen. Angstig was hij trede per trede  afgedaald.

De man zat op een stoel, zomaar, midden in de kamer. ‘Veronique is gek. Ik heb helemaal geen Alzheimer’ zei hij droog toen Adrianus de kamer binnenkwam. Een klein peertje verlichtte de armtierige kamer zonder ramen. ‘Ik ben alleen maar af en toe een beetje vergeetachtig.’

Adrianus zei niets, zette de bak neer en verliet de ruimte weer. Net voor hij de trap wilde bestijgen draaide hij zich om en vroeg aarzelend. ‘Wie is Veronique?’ De oude man lachte histerisch. ‘Veronique, wat een idiote naam. Ik ken helemaal geen Veronique.’ En met zijn handen graaide hij een zwoerd vet uit de bak en stak die in zijn mond.

Sam Weckx (‘t mag absurd zijn) : Gezwelvis – Zuurpruim – Bruine bink – Japinou – betweterig

•december 25, 2009 • Geef een reactie

De gezwelvis cirkelde rond, en had het volledig naar zijn zin.

U weet niet wat een gezwelvis is zegt U? Sorry, dan leg ik dat even uit, dat is net zo makkelijk voor de rest van het verhaal, want anders bent u volledig niet mee, en dat zou zonde zijn. Wellicht heeft het zelfs een impact op uw humeur en dat is helemaal te vermijden. Er zijn al genoeg zuurpruimen en zeventenen op deze wereld. Een gezwelvis is voor vissen wat een dikkop voor een kikker is. Een evolutionaire fase waar ze doorheen moeten om echt vis te worden.  Nu is het zo dat er gezwelzalmen zijn, gezwelforellen, gezwelsardienen, afijn, u kunt zelf nog wel wat vissen bedenken. Als u dit schrijfsel leest ga ik er van uit dat u over een intelligentie beschikt die u in staat stelt om een aantal vissen te voorzien van het epitheton ‘gezwel’ en dan komen we er wel.  Pas op, gezwelpilchards bestaan bijvoorbeeld niet, omdat dat met die tomatensaus nog niet helemaal goed georganiseerd is. In die zin zijn pilchards dus eigenlijk de laagste levensvorm qua vis, dat zwemt niet in water maar in tomatensaus, zeg nu zelf, wie verzint het? Misschien moeten we ons wel afvragen of een pilchards wel een vis is, of misschien eerder een hogere levensvorm van gehaktbal? Ik stel voor dat we dit even laten rusten en terugkeren naar de meer dringende materie…

In ons verhaal ging het niet over zomaar een onbestemde gezwelvis, alsof we niet zouden weten over welke soort het hier ging, U mag ons niet onderschatten, wij zijn van alle vismarkten thuis, en kunnen die dingen uit elkaar halen. ‘t Zijn overigens geen dingen, maar vissen, maar dit volledig terzijde.

We hebben het hier over De Gezwelvis, de enige echte, de Übergezwelvis, waar alle andere moeten voor wijken. Sorry voor de verwarring, maar net zoals er blaasvissen zijn, of staartvissen, zijn er ook gezwelvissen, die dus niets te maken hebben met die evolutionaire fase, maar voor de volledigheid kon ik niet anders dan dat toch even vermelden. Ik hoop dat ik u ondertussen niet verloren ben, qua wetenschappelijk betoog…

Het is eigenlijk zoals je soms van iemand zegt dat het een dikkop is, het is te belachelijk voor woorden om te denken dat hij dan nog zal veranderen in een kikker, we hebben het dan immers over een mens. Begrijpt U?

Zoals dus al gezegd, de gezwelvis cirkelde rond, en had het volledig naar zijn zin. Nu, wat u ook moet weten, is dat gezwelvissen  cirkelen  in de lucht, het moet wel extreem vochtige lucht zijn, zoals regen, bijvoorbeeld, dat vinden ze lekker. In die zin lijken gezwelvissen enorm op vogels, met vinnen die eigenlijk vrij spectaculair op vleugels lijken. Het is menig ornitholoog al overkomen dat hij een gezwelvis aanzag voor een verzopen kip. Grove  fout natuurlijk, alsof een dikkop en een dikkenek hetzelfde zouden zijn.  Daar moeten wij dan weer om lachen!

Hij cirkelde dus rond in de studentenkamer van de Sam,  en ging door met zijn zoemende activiteit, heel af en toe onderbroken door een melodieus maar schril uitgestoten “Japinou, pinou, nou, nou…..” Wat uiteraard hoogst vervelend en zelfs schadelijk is voor het gehoor indien  het enorm veel door dezelfde persoon gehoord wordt.

In het geval van Sam was dat geen probleem, Sam was namelijk doof, potdoof. Dat had wellicht te maken met eerder ontwikkelde seksuele gewoontes uit zijn jeugd, maar eigenlijk weten we daar niets over, dus het heeft geen zin om daarover te speculeren. Laat ons gewoon het evidente voor waarheid nemen. Sam werd niet gek van de Japinou kreet, dus moest hij wel doof zijn. Ik denk niet dat we daar betweterig over hoeven te doen, Feiten zijn feiten en conclusies kunnen op deze wijze niet ontlopen worden.

Terug naar onze gezwelvis. Die rondcirkelde. Ik weet niet of ik al verteld heb  waarom hij zo in zijn schik was? Feit is namelijk dat een gezwelvis die de Japinou kreet uitstoot, eigenlijk een soort schijnbaltsgedrag vertoont.

En het gaat hier werkelijk over uitstoten, niet over zacht fluiten of roekoeën, neen het is een door merg en been trillende kreet, die ongeveer zo gaat ‘ Jaaaaapinououououu, Piiiiiiiiiiinouououuu, nou, nou, nou….

Wanneer nu die kreet bij herhaling door de gezwelvis uitgestoten wordt, heeft dat een enorm pulserend effect op de cloaca van het beest. Ik hoor de ornithologen al denken… “aha, een cloaca, dus ’t is wel degelijk een vogel!” Niets is echter minder waar, de cloaca van een gezwelvis zit namelijk aan de voorkant,  het is bij wijze van spreken bijna een mond. Ook hier gebeuren regelmatig vergissingen. Jonge, onervaren observators denken soms dat hij achteruit zwemt, maar dat is dus niet zo.

Merk ook op dat ik hier bewust het woord zwem gebruik, omdat het over een vis gaat, ook hier kunnen we onze logica niet ontvluchten. Vogels vliegen, vissen zwemmen, ergo…

Waar waren we? De gezwelvis, die in zijn nopjes was, omdat hij onder het uiten van de kreet, vorm had gegeven aan een enorme bruine bink die nu als een zacht deken over de studentenkamer neerdaalde. Een bink, voor mensen die het woord niet kennen is eigenlijk zoals kikkerdril, maar dan gasvormig. Ook hier gaan biologen soms in de fout, als ze vergelijkingen maken met binken en veesten, twee begrippen die niets met elkaar te maken hebben, behalve dan misschien de gasvorm.  Het gaat in dit geval niet over methaan, maar over het levensbrengende zuurstof, gekoppeld aan een aantal esters, die ervoor zorgen dat een liefelijk parfum zich ontwikkelt, als voorbode van nieuw leven.

Zeg nu zelf, ik denk dat Sam, als bevoorrecht getuige van dit wonder, bijzonder blij mag zijn, met een dergelijk, zich voor zijn ogen ontrekkend natuurwonder. De absurditeit van vogels en vissen, het is me wat….

Jasper, Robin, Eva en Geert : Avatar – sneeuw – Vrienden – heldhaftig – chocomelk

•december 25, 2009 • Geef een reactie

Eerst zaten ze bij elkaar op school, kwamen er toen achter dat ze feitelijk buurjongens waren en  werden uiteindelijk dikke vrienden en dit was hun territorium.

Het was geen gewoon stuk bos, maar een heel apart rijk.

Ze hoefden maar te rennen tot net voorbij de statige dennenboom en de poorten schoven open.

Daar, in het avonturenwoud combineerden ze  bijzondere toverdegens, munten met magische krachten, zwaarden uit de ruimte en vooral gigantisch veel fantasie.

Zo ook die ene middag; het was die dag precies nog niet licht geweest, er pakten dreigende wolken samen boven het bos, het vroor dat het kraakte en de wind deed hun neuzen druipen.

De donkerste van de twee moest de wacht houden, de doorgang bewaken en verdachte wezens tegenhouden. De asblonde Sokka hielp daar niet bij. Hij zat wat verderop de koers te berekenen voor hun lichtschipcapsule. Als de berekening niet klopte, zouden ze afstevenen op het zwarte kolkende gat van de Vuurnatie. Ondertussen hadden ze hun helper erop gestuurd; die moest voor eten en drinken zorgen en ongezien terugkomen met armen vol lekkers, dat zouden ze in de capsule bewaren.

De eerste verse vlokken sneeuw dwarrelden uit de lucht; ze schrikten op, pluisjes bevroren water dat betekende onheilspellende avonturen. Er was vast iets mis met Aang.

De twee vrienden tuurden door hun supersonische verrekijker en heel ver weg ontdekten ze een vreemd vliegend wezen. Ze besloten de aanval af te wenden en de bemanning in de pan te hakken; want dat is nu eenmaal wat helden doen.

Net voorbij de dennenboom lag gelukkig hun slee, die zou uitkomst bieden. Zo konden ze het donkere woud doorkruisen. Ze trokken hun mutsen en wanten extra strak, verzamelden extra munitie, dekens en laserzwaard. Ze waren helemaal klaar om te gaan.

Moedig vatten ze de tocht aan, het werd snel kouder en somberder tussen het laaghangende gebladerte, ze gleden zachtjes voort, ver weg van het paadje want ze moesten zo lang mogelijk ongezien blijven. Toen ze heel dichtbij waren, hielden ze even de adem in, het was muisstil. Het was Sokka die eerst de enge dierensporen opmerkte, en erger nog ze waren overduidelijk heel vers. Plots hoorden ze allemaal rare geluiden, gekraak, gesis en krols geschraap. Vliegensvlug draaiden ze zich om, maar ook daar was het pikkedonker. “Waar zijn de lichtjes van het moederschip?” piepte Sokka angstig. “Ik zie ze ook niet meer.” antwoordde de andere Avatar. Ondertussen weerklonk het huiveringwekkende geblaas dichterbij dan ooit.  Met benepen stemmetjes pleegden ze overleg. Plots scheerde een zwarte kraai rakelings voorbij, een lawine van  sneeuw  ontketenend. Ze voelden nu de hete adem van het monster heel vlak bij. Ze kropen eerst heel even dicht bijeen en spraken elkaar moed in. Toen spurtten ze luidkeels en wild om zich heen maaiend verder het bos in om zich op de ijsbeerpoema te storten. Die krijste, mauwde en blies toen de krijgers zich op hem smeten. Zijn gifgroene ogen stonden scherp, zijn pels rechtomhoog en zijn nagels glinsterden vervaarlijk in de sneeuw. Oog in oog stonden ze zo, wel minutenlang, onder de pekzwarte lucht. Plots greep de zwartharige Avatar een tak en porde daarmee tussen de klauwen van de ijsbeerpoema. Die graaide haalde uit en greep de tak met z’n 2 klauwen vast. “Het deken, gauw.” krijste de jongen. Zijn medekrijger gooide vliegensvlug het deken over dat woeste beest, wat zich onmiddellijk overgaf.  In de verte hoorden ze  de 2 oude ijskonigingen op hen roepen. Ze wilden gauw naar huis nu, maar ze hadden geen idee waar ze zich bevonden.

“Kom gauw hier kijken,” maande Sokka zijn vriend aan, “ik denk dat ik een aanknopingspunt gevonden heb.” In de ijswitte sneeuw ontdekken ze traanvormige druppels chocomelk. “Laat ons dit spoor volgen,” stelde Sokka voor, “het leidt ons misschien terug naar de voorraadcapsule dichtbij het moederschip.” Moedig vatten ze de barre tocht aan en na een uitputtingslag die uren leek te duren, werden de twee jongens en hun ijsbeerpoema door de ijskonigingen verwelkomd zoals het alleen heldhaftige strijders betaamt.

Marjolein Vilé : vriendschap for life – italiaans – chocola, sfeer : end of year contemplatie

•december 25, 2009 • Geef een reactie

Het is nevelig. Ik spoor langs de Zwitserse meren. Het landschap ademt sereniteit. En ik heb haast. Voor één keer. Gefilterd ochtendzonlicht valt op de slapende gezichten van de mensen om me heen.

Ik doezel, dagdroom en overbrug de 18 reisuren en de laatste dag van het jaar die me nog resten.

Mijn hoofd rust tegen het kilvochtige treinraam, de terugslagen van het gedender opvangend. De tijd ontglipt me en ik spartel om me niet te verliezen in een nakend gevoel van radeloosheid.

Rillend sla ik de uitgerafelde, opgepluisde felgekleurde wollen sjaal om me heen. Als een beschermende cocon.

“Mijn leven moet gevuld zijn met liefde”, ik had het Meryl Streep ooit onberispelijk en met zoete stem horen declareren. Het leek toen zo’n zweemzoet, gratuit zinnetje, eentje voor diva’s of zo.

Enkel wanneer ik reis, durf ik me wel eens over te geven aan een contemplatieve drift. Dan staar ik graag voor me uit, herkauw gulzig voorbije dagen of maanden. Er wordt dan vooral gekoesterd en geglimlacht.

Deze keer is het anders. Ik katapulteer me 19 jaar terug in de tijd.

“Fabelachtig mooi zou hij je staan”, hoorde ik achter me, “zeker als je hem stolagewijs losjes om je heen zou draperen, dat maakt je ongetwijfeld nog pittiger.”

Later rechtstaand aan de opgeblonken toog van de Pasticceria Marchesi en omringd door serieuze  mannen met gilet en strik had hij me dat bijzonder mooie spreekwoord toevertrouwd; “ je leven is voltooid als je een vrouw hebt bemind, een boom hebt gepland en een boek hebt geschreven.” En hij voegde er in één adem fluisterend aan toe dat hij ze alledrie al gedaan had, hoe onverstelbaar rijk hij zich voelde bij al wat het leven hem al gegeven had. Een zondagskind zo noemde hij zichzelf graag.

Hij deed graag aan taartjes zoals hij dat zelf noemde. We regen de hele middag woordjes aan elkaar, lepelend van chocolade overdaad. Tot het donker werd. En we praatten verder aan een andere toog bij bellen ronde rode wijn, verstopt in het steegje bij de Via Montenapoleone

Onconventioneel, zo kon je onze ontmoeting, en later onze vriendschap for life wel bestempelen.

De ontmoetingen bleven beperkt en schaars, de correspondentie doorvoeld, intens en omvangrijk.

De brieven werden occasioneel ingeruild voor mails. Het meisje voor vrouw, de man voor bejaarde.

En nu raas ik tussen de Italiaans glooiende heuvels naar hem toe. Het is echt zo, bedenk ik me turend naar niets. Dat het soms gebeurt dat een context herinneringen terug levendig maakt. Ik lees in de voorbijschuivende velden die ene passage van Martin Bril: “In een dorpje in Calabrië waar ik nu vaak ben, ligt mijn buurman op sterven. Hij roept alle dagen om zijn moeder. De dorpsdokter heeft gezegd dat alle mannen ‘mamma mia’ roepen voor ze de ziel laten.”

Later zit ik aan zijn bed en voel onze onloochenbare band. Tastbaar en van een bijzondere en fragiele puurheid.  Hij maakt hem alweer navoelbaar voor me.

“Dingen komen, dingen gaan.”kucht hij. Een lange pauze, en dan vervolgt hij “Denk eraan lieve, voel nooit geen schuld of schaamte, voor niks of niemand.”

Hij strijkt met zijn perkamenten hand vluchtig langs mijn springerige haar, houdt even halt bij mijn hals, en lispelt “ Alles wat nu gaat gebeuren is goed, laat maar waaien, morgen een nieuwe dag of niet.”

Ik slenter terug naar Roberto’s terras onder de dwarrelende sneeuw. In de verte echoët zijn stem “Mamma Mia”. De haast ben ik verloren.

Tibo & Maxim : Kabouters – Fopkonijn – Janneke Maan – Het land zonder zorgen met veel zon en blije gezichten – Vogelaar (moet eigenlijk goochelaar zijn)

•december 25, 2009 • Geef een reactie

Er was eens een bos waar de blaadjes altijd dor waren. Ze dwarrelden nog voor ze groen ontloken naar beneden, bloemknopjes lieten hun hoofdjes triest hangen, het mos was er ruw en de varens altijd roestkleurig. Soms bleef het er dagenlang stil. De bomen waren lang geleden gestopt met ruisen en de vogeltjes zongen nooit meer hun mooiste lied.

“Pffttt,” zuchtte Flor Flapoor, “ik ben het zo beu, ik zie nooit meer vrolijke dieren en ik mis al die soorten groen.” “ Elke dag dorheid.”

Met grote, olympische sprongen huppelde Flor snel over de omgekapte boomstronken. Hij moest wel voortmaken. Want hij hoorde de kabouters de verzamelbel al rinkelen. En wie niet op tijd de grote raad bijwoonde, werd streng toegesproken door Pomkin, de grijze, wijze muskusrat en voorzitter van de bosraad. Dan lachtte iedereen je een beetje uit en dat was niet zo leuk.

Toen ze in de grote kring rond Pomkin zaten en luisterden naar de voorgedragen plannen van iedereen, droomde Flor Flapoor voor zich uit. “Ik wou dat ik een bos woonde, waar het naar dennen rook, waar de blaadjes ritselden aan de bomen en de vogels kwetterden van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.” “Dan konden we weer feesten samen met Janneke maan tot aan het ochtendgloren.” “Om daarna uit te rusten op het zachte mos, in het warme zonlicht.” “Ach wat”, mompelde hij tegen zichzelf terwijl hij terug luisterde naar de vele ideeën om het bos terug groen te krijgen.

Helemaal onderaan de honderdjarige eikenboom kraakte een frêle twijgje, met daaraan 7 mintgroene, haast doorschijnende blaadjes die een beetje verlegen dansten en zuchtten.

Toen die blaadjes de triestige natte oogjes van Flor en alle andere dieren zagen, slaakten ze een diepe zucht. “Flor die dagdroomt tenminste nog.” “Maar, die andere dieren hun oogjes staan dof, hun pels ruift en de vogelsnaveltjes blinken niet meer goudgeel.” “Is er dan niets wat wij kunnen doen?”, mompelde het kleinste blaadje. “Wij zijn zo zachtgroen en al de rest is dor, dat is toch niet eerlijk.” vervolgde het. “Alle blaadjes zijn hetzelfde, dor of groen,” zuchtte de grote eik, “stop nu maar met zeuren en wen er aan, het is niet anders.”

“Nooit” antwoordde het blaadje een beetje brutaal. Het ritselde nog eens heen en weer en kreukelde zich op. Toen zag het hoe Flor Flapoor naar haar keek. Het blaadje schrok. “Oooooo!” joelde Flor Flapoor blij, “kijk  eens hier een twijgje met groene blaadjes.” En alle dieren kwamen langzaam, maar ook een beetje op hun hoede kijken, want ze wisten allemaal dat Flor zowat het grootste fopkonijn van heel het woud was. Ook Pomkin kwam aangerend. Hij keek opgewekt om zich heen. “Een twijgje met frisgroene blaadjes” kwaakten ze uitzinnig door elkaar heen. “Stilte”, bulderde Pomkin, hij richtte zich tot het zenuwachtig wiebelende twijgje en vroeg “hoe komen jullie hier aanwaaien, dat kan toch maar niet zo maar zo?”

De blaadjes zagen hoe iedereen hoopvol keek en voorzichtig glimlachten. Een beetje opgelaten fluisterden ze “ de machtige Vogelaar heeft ons hier naar toe gebracht.”  Het gekwebbel stopte abrupt, een huiveringwekkende stilte overviel de open plek bij de oude eik, angst kroop in de oogjes.

“De de de Vvvvoogggeelaaaarrr?” piepte Pomkin verschrikt.

De blaadjes snapten al dat gedoe niet. De grote Vogelaar was altijd erg lief voor hen geweest. Elke keer dat het kriebelde aan hun voetjes had hij hen in een groter aardebad gestopt. Werd het té heet dan kwam hij hen besprenkelen met ijsgekoeld water en toen de vrieskou kwam aanrollen, had hij hen liefdevol toegedekt met noppenfolie.

“Wees niet bang”, prevelde het kleinste blaadje, “hij is echt lief en zorgzaam voor alles wat groen is en wat bloemenweelde draagt.”

“Oh dat zal wel,” antwoordde de uil knorrig, “hoe verklaar je dan al die enge dingen die hij meesleurt; zijn drietand, haken, messen en die flesjes met dat felruikende betoverspul?”

“Hij heeft ons naar hier gebracht om jullie bos weer beter te maken,” vervolgde het blaadje nu overstoorbaar, “hij gelooft in ons en denkt dat als wij vrolijk ritselen en fluisteren, wiebelen met onze groene hoofdjes en binnenkort weelderig pronken met onze lentetooi het bos genezen zal.”  “Jullie moeten ons vertrouwen”, besloot het stellig.

“Ik geloof jullie”, klonk het van op de achterste rij, “per slot van rekening zijn jullie toch anders dan de andere blaadjes hier”, probeerde Flor Flapoor.

De blaadjes bogen verlegen. “Vogelaar en wij maken jullie bos terug blijgroen” beloofden ze.

De dieren dropen af, met door hoop verwarmde dierenhartjes. Alleen Flor Flapoor bleef nog wat drentelen. “Het is net of ze ritselen voor mij alleen” dagdroomde hij.

Toen de zon al lang was ondergegaan wiegden de blaadjes zachtjes na in de avondwind, morgen zouden ze hun taak aanvatten. Ze geloofden oprecht dat hun geritsel en gestrooi het bos weer diepgroen zouden kleuren.

En wat verder in het dorp, in het Land-zonder-zorgen-en-met-veel-zon-en-blije-gezichten, vertelde de boswachter tegen zijn vrouw dat het bos beslist genezen zou. Dat zijn kleine berkenboompje het onvermeend goed stelde daar dicht bij de oude eik.

These Days : Pretfee – Zomertype – Massageolie – Karbonkel – Sprokkelhout – Neushoorn – Muziekkabouter

•december 25, 2009 • Geef een reactie

Er zijn zo van die zaken die geponeerd worden en die gauw een eigen leven leiden. Iedereen wauwelt ze klakkeloos na en predikt ze plots als een nieuwe religie.

Zo ook de mannen met wie ze zich die blauwe maandag volgoot aan de toog. Ongegeneerd promoveerden ze zichzelf als fervente en vooral geslaagde lopers. Ze jutten elkaar op, noest pochend met ren-je-rot vocabularium, hengelend naar complimenten of op z’n minst aandacht en bewondering. Ze was verbijsterd bij zoveel door ego oversluierde uitsloverij.

Maar ze zouden van een kale wedstrijd thuiskomen. Daphné had niets met hardlopen. De zweterige, vaak iele én te pezige lijven in de nietsverhullende outfit vond ze uitgesproken onaantrekkelijk. Het kleffe glimlachje van verstandhouding als ze elkaar kruisten in het bos weerzinwekkend, net zoals die weëe geur van de massageölie in de kleedkamers van de sportclub. Daphné was niet van de BBB-sessies.

Een fundamentaliste en een notoir beoefenaarster van DDD: dineren, dansen en drinken, zo zouden ze haar zich herinneren. Ze schiep keer na keer haar eigen droomwereld. Als een volleerde pretfee honoreerde ze zwierigheid, aanbad ze gracieusheid en verhief ze frivole hooghartigheid tot een kunst.

Verveeld zat ze met haar suède enkellaarsjes op de barkruk te tikken. “Naaldhakken en bluesritme vormen zelden een succesvolle combinatie”, mompelde hij met een rauwe, verzopen stem. “Oh ja en wat weet jij daar dan wel allemaal van, meneer de muziekkabouter?” kaatste ze brutaal terug.

“Ik ben een vrolijke vent, zuip als een gek, schrijf verhalen en red neushoorns in mijn vrije tijd” stelde hij zich zorgeloos ruig en met een zweempje van minachting voor. Woorden stokten in haar keel, zo veel branie en ijdelheid maakten haar onzeker. Nog voor ze hem een verbale lel verkopen kon, gaf hij haar lik op stuk: “Jij bent vast zo’n mislukt poëtisch miepje wat werkt in een of ander hip reclamebureau of etherisch boekenwinkeltje en wat zich naiëf rechthoudt aan flauwekul; over zomertypes enzo …”.

“Je mag er wel stoer uit zien met je verweerde, gegroefde kop, je getaande huid, je rugzak vol Afrikaanse verhalen, maar ik vind mannen met een kwaaie dronk hoogst irritant”, sneerde ze, nu helemaal op dreef.

Ze kruisten de verbale degens, daagden elkaar uit tot ongezouten retoriek en voelden zich alsof ze losgelaten waren in een enorme woordjesfabriek. Ze draaiden zachtjes door, hallucineerden en deden clichés kloppen terwijl weemoed en verlangen zich met elkaar mengden.

Een traan welde op in haar linkerooghoek, bijverschijnsel van té intense dialogen en een single malt té veel. Met een onverwachtse tederheid staakte hij het gesprek en manoevreerde hij haar naar buiten.

Ze dommelde zachtjes weg en schrok abrupt wakker bij het gekraak van een oude schuurdeur.  Karbonkelrood kaarslicht lichtte een ruimte uit, die er een van een zigeuner had kunnen zijn. Oude affiches van tentoonstellingen aan de muur, de grond bezaaid met wankele stapels hoedendozen, volgestouwd met oude zwartwitte fotoprints. “Maak het je makkelijk, geef je over aan de demonen in je hoofd, hier ben je veilig.”, sprak hij haast bezwerend. Ze zag nog net hoe hij de ijsnacht in verdween op zoek naar wat extra sprokkelhout. Ze doezelde weg zich het flauwe grapje herinnerend “Geen dier ter wereld spant zich zo nodeloos in als de hardloper: hij rent en rent en aan het eind is hij gewoon weer waar hij begon.”

Kerstavond

•december 24, 2009 • Geef een reactie

Wij zijn helemaal blij, maar vanavond stoppen we even, we zijn er zeker van dat jullie dat begrijpen. morgen doen we gewoon verder.

dank voor het enthousiasme

Trix, Karin, Stef en Guido

Joeri 5: The Kooks – Naaimachine – Brownie – Bubbelbad – volle maan

•december 24, 2009 • Geef een reactie

Het arme meisje zat verbeten achter de oude aftandse naaimachine en probeerde uit alle macht nog iets te maken van de oude jurk die ze op de kop had weten te tikken  in de tweedehandswinkel. Morgen mocht ze naar het kerstfeestje van de zaak. Het was de eerste keer, en ze was behoorlijk zenuwachtig. De meisjes van de postkamer hadden haar al mooie verhalen verteld over Debbie, die er vorig jaar in geslaagd was om met één van de verkopers een relatie te beginnen, en die nu bijna wekelijks een cadeautje van die man kreeg. Debbie ging ook vaak met die verkoper uit, en ze kwam soms op ‘t werk na de lunchpauze met een erg dierlijke geur en heur haar een beetje verward. Debbie was niet erg gelukkig, zo leek het, maar ze genoot wel van de aandacht  en de cadeautjes.

Een beetje achteloos kauwend op de laatste brownie van de Delhaize overdacht ze haar jonge leven en wat ze zoal uitgevreten had. Eigenlijk mocht ze best trots zijn. Al heel vroeg de beide ouders kwijt, was ze snel beginnen werken. Met veel moeite had ze zich geld bijeen gespaard via klusjes en jobs allerhande en woonde ze nu in een piepklein appartementje, samen met haar twee katten.  Het was er altijd erg netjes, en warm, en huiselijk. Anette was een meisje met een erg eenvoudige smaak, en het leven had haar geleerd dat uiterlijk vertoon nergens voor nodig was. Anette was ook brandend ambitieus, en vastbesloten iets te maken van haar leven. Voor haar geen postkamer romances, waarbij ze zich nadien als een oud gebruikt vod zou voelen. Anette wilde gerespecteerd worden en bemind. Door een echte man, die haar datgene zou geven waar iedereen recht op had. Respect.

Ze legde de laatste hand aan haar feestkleedje en begon te dromen over morgen. Assepoester was nooit ver weg. Verhalen bij de volle maan, een maan die fonkelde in haar glas eenvoudige wijn, alsof het heelal mee wou spelen en haar  steunde. Verhalen over kastelen, knappe, lieve, mooie mannen, over groene velden, weidse landschappen.

Anette gaf niet om geld, ze wist al lang dat ze altijd haar plan zou trekken, en nooit zou ze afhankelijk willen worden van een kerel, die haar alleen maar daardoor onder de knoet zou kunnen houden.

De volgende dag, het feestje. Ze zag er koket uit, op een lieve bijna gesofistikeerde manier. Eenvoud heeft ook zijn charmes. Het restaurant was op loopafstand, dat scheelde toch ook maar weer een taxirit en dito fooi.  Terwijl ze op haar fijne naaldhakjes voorttrippelde zag ze in de verte haar collega’s naderen. Ze was een beetje bang van alle commentaren die ze wel zou kunnen krijgen, maar de kerstsfeer heeft ook zijn goede kanten, iedereen was super vriendelijk en attent, en ze voelde zich warm en gelukkig.

Terwijl ze een sigaretje stond te roken zag ze hem. Hij stapte uit een zware, donkere sportwagen, alsof heel de wereld hem toebehoorde. Nonchalant stapte hij haar voorbij, maar niet zonder eerst goedkeurend te monsteren en erg vriendelijk goede avond te wensen. Terwijl hij naar haar keek en weer wegstapte, herkende ze het deuntje dat hij tussen de tanden floot ‘She moves in her own way’, van The Kooks. Het was alsof hij nu al wist hoe hij maar moest complimenteren. Ze bleef hem nastaren, hij mompelde wat tegen de maître en keerde op zijn stappen terug. Haar hart maakte een sprongetje. Zou het, zou hij? Bijna te mooi om waar te zijn. Hij keek recht in haar ogen, maakte een grapje en ze smolt…

Voor ze er erg in had begroette hij de nieuwe gasten, sprong in hun auto en verdween ermee. Anette, het dome gansje, had het weer eens gedaan, verliefd worden op de voiturier. Weg dromen van bubbelbaden en champagne, back to reality.

Het was alsof hij het voelde, de man kwam onmiddellijk terug bij haar staan en maakte een praatje . En ineens was alles anders. Zijn lichtgrijze ogen doorboorden haar en hij vertelde over zijn toekomstplannen. Over hoe hij werkte en kluste, over zijn overleden ouders, over zijn levenshonger, en ze wist, met één blik, dat dit de man was met wie ze gelukkig kon zijn.

En toen werd het toch nog een mooie avond…

 
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.